ongeloof

onzijdig (het)/ˈɔŋɣəˌlof/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het niet (kunnen) geloven
    De vreugde op de Nederlandse bank was uitzinnig. Waar iedereen sprong, bleef coach Ilse DeLange met de handen voor haar ogen zitten. Ongeloof won het nog van de vreugde. Laurence was al snel weer bij zijn positieven en nam de trofee in ontvangst met de woorden: ‘To Music first. Always.’ Tubantia Stefan Raatgever 19 mei. 2019 [https://www.tubantia.nl/dossier-duncan-wint-songfestival/duncan-doet-waar-nederland-na-44-jaar-naar-smachtte~afc527e7/ Duncan doet waar Nederland na 44 jaar naar smachtte]
    Vol ongeloof sta ik op en voel aan haar lakens.
    Vol ongeloof staarden ze ernaar: een meisje van een jaar of tien met een peuter in haar armen.

Etymologie

*Afgeleid van geloof

Vertalingen

Engelsdisbelief, unbelief
Fransincroyance, incrédulité
DuitsUnglaube
Spaansincredulidad