ongemanierdheid

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het onfatsoenlijk zijn
    Als de buurt geen andere bijdrage levert dan hard te schreeuwen en alleen maar ‘nee’ te roepen tegen een plan dat beleidsmatig past in de ruimtelijke en sectorale opvattingen van de gemeente, dan verdient dat geen enkel respect. Het lijkt erop dat rauwe kretologie en ongemanierdheid meer lonen dan argumenten en fatsoen.”
  2. iets dat getuigt van onfatsoenlijkheid

Etymologie

* afleiding van ongemanierd