onhandigheid

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de mate waarin iemand iets op een moeilijke, omslachtige, of gebrekkige manier doet
    Maar de waardering voor zijn inzet kelderde vervolgens ook weer, vooral door zijn sociale onhandigheid. Zo sprak hij na een voor Nederlandse begrippen forse aardbeving in het voorjaar van 2019 over "een bevinkje". Dat werd hem tot in Den Haag zeer kwalijk genomen. Ook premier Rutte was not amused. Een verspreking moet kunnen, zei de VVD-leider. "Maar deze was echt wel heel ongelukkig." Wiebes maakte excuses voor de pijnlijke uitglijder.
  2. iets wat moeilijk, omslachtig of gebrekkig gebeurt

Etymologie

* afleiding van onhandig