onnozel
ɔˈnozəl
Wat is de betekenis van onnozel?
onnozel betekent: onschadelijk (ook van zaken)
Betekenis
bijvoeglijk naamwoord
- onschadelijk (ook van zaken)
- onschuldig, schuldeloos (zonder seksuele ervaringen)
- dwaas, naïef
- niet ernstig
- onbeduidend, onbelangrijk
Voorbeelden van "onnozel" in een zin
- Item die derde schouwe is des Woensdages na sinte Martijnsdach in den winter alle dyken in hair volle groot te wesen up 10 se., then ware offet den hiemraden onnosel dochte wesen.
- Het feest van de Onnozele Kinderen wordt op 28 december gevierd.
- di cuesch ende fijn ende onbeulect es, betekent mede daer ic noit met sunde en dede maer hebben gehouden van kinde alneen onosel van wiuen ende suuer ende reen
- Heel die ruzie was om een onnozele paraplu?
Etymologie
van Middelnederlands onnosel op te vatten als afleiding van verouderd nozel “schadelijk” met het voorvoegsel on-, beïnvloed door of gebaseerd op Latijn innocēns “onschuldig”, “deugdzaam” (lett. “niet schadend, onschadelijk”)
Vertalingen
Duitseinfältig, naiv, leichtgläubig
Engelsgullible, insignificant, naive, naïve
Fransjobarde, naif, ingénue, jobard, naïve
Spaansabobado, insignificante, crédulo, ingenuo, simple
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek