onsamenhangendheid
vrouwelijk (de)
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- die mate waarin een betoog bestaat uit onderdelen die niets met elkaar te maken hebben zodat men het betoog niet kan volgenZe was vooral geschrokken van de onsamenhangendheid van zijn tirade.
- onderdelen van niet te volgen betoog of redenering
Etymologie
*afleiding van onsamenhangend
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek