ongerijmdheid

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de mate waarin iets strijdig is met het gezonde verstand
    Wat een duivels gedoe, wat een ongerijmdheid.
    Ongerijmdheid of een dubbele bodem kan daarbij bijvoorbeeld helpen. De topografische knipoog van 'Er gaat niets boven Groningen', het woordgrapje van Iamsterdam, het paradoxale 'Groot geworden door klein te blijven', het droge 'Even Apeldoorn bellen' na een kleine ramp. Doordat onze hersenen er iets meer werk voor moeten doen, beklijven ze beter.
  2. iets dat strijdig is met het gezonde verstand

Etymologie

* afleiding van ongerijmd

Vertalingen

Engelsrubbish, nonsense, absurdity