onschuld
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈɔnsxɵlt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- de staat waarin iemand geen kwaad gedaan heeftEen blijk van onschuld.
- het argeloos of naïef zijnWat een kinderlijke onschuld, zeg!
Etymologie
*afleiding van schuld
Uitdrukkingen
- De handen in onschuld wassen — Beweren volkomen onschuldig te zijn aan iets vervelends, alle verantwoordelijkheid daarvoor afschuiven
- De vermoorde onschuld spelen/uithangen — Doen alsof men onschuldig is aan iets wat men in werkelijkheid wel degelijk terecht verweten krijgt
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek