ontsteken
/ɔnt.'ste.kə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) in vlammen doen opgaanZij ontstaken een vreugdevuur.
- (erga) overdrachtelijk: heet worden van woedeDat deed hem in woede ontsteken.
- (erga) geïnfecteerd rakenDie wond is ontstoken.
Etymologie
*Afgeleid van steken .
Vertalingen
Duitsentzünden, entzünden
Spaansinflamar, encender, infectarse
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek