ontstentenis

vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. formeel (formeel) het niet voorhanden zijn, ontbreken, niet aanwezig zijn, verhinderd zijn (meestal door factoren buiten de macht van de betrokkene bijvoorbeeld ziekte, familieomstandigheden)
    Wegens ontstentenis van de griffier is hij niet in staat te ondertekenen.
    Normaal gezien is licht als lucht, in die zin dat je vooral bij ontstentenis ervan in de verleiding komt te reflecteren op het belang ervan. Maar hier leek het licht door mensenhanden gemaakt, bij wijze van bekroning van de architectuur, als een laag bladgoud over een sculptuur of als een met zorg aangebrachte vernislaag over de voorstelling die deze van zichzelf had geschilderd. Maar deze vergelijkingen zijn te statisch, want daarbij was het licht voortdurend in beweging, alsof het de schaduwen achternazat.
  2. het falen, mislukken

Etymologie

*afgeleid van het verouderde ontstand, het verleden deelwoord van ontstaan, en met ablaut

Uitdrukkingen

  • Wegens het ontbreken/afwezig zijn van...

Vertalingen

Engelsabsence, lack, nonappearance
Fransabsence, absentéïsme, désertion
DuitsAbwesenheit, Ermangelung
Zweedsfrånvaro, brist, avsaknad