oogsten

/ˈoxstə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) het volgroeide gewas van het veld halen
    Het vlas is al geoogst.
    Ze dronken voorzichtig van een halve fles laat geoogste moezelwijn, voor namelijk om iets voor zich te hebben staan op de mooi gesneden tafel in de erker.
  2. figuurlijk (figuurlijk) als reactie krijgen
    Zijn prachtige solo oogstte een luid applaus met bravogeroep.
  3. veeteelt, eufemisme (veeteelt) (eufemisme) het vergassen en villen van dieren zoals nertsen

Vertalingen

Engelsreap, harvest
Fransrécolter
Duitsernten, ernten
Spaanscosechar, cosechar