oor
onzijdig (het)/or/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (anatomie) lichaamsdeel waarmee geluiden kunnen worden gehoordDoor de unieke vorm van het oor wordt het geluid net anders vervormd afhankelijk van de richting. En uit de verschillen tussen de oren kan het brein afleiden waarvandaan het komt.Na een tijdje merkte ik duidelijk aan mijn oren dat we van zeeniveau naar duizend meter hoogte aan het klimmen waren.
- (huishouden) handvat waaraan men een stuk servies kan optillenZit het oor aan een koffiekopje aan de linker- of aan de rechterkant?
zelfstandig naamwoord
- (numismatiek) oude Nederlandse munt ter waarde van een kwart stuiver ofwel twee duiten
Etymologie
*[B] Verbastering van oord in de betekenis "kwart", omdat het een vierde van de stuiver waard was
Uitdrukkingen
- De oren spitsen — Heel goed luisteren
- Luisterend oor aanbieden — Aandachtig luisteren naar wat iemand te zeggen heeft
- De muren hebben oren — Let op wat je zegt, iedereen kan het horen
- Een en al oor zijn — Heel aandachtig naar iets luisteren
- Een draai om de oren geven
- Een oor te luisteren leggen — Onderzoeken wat een ander van iets vindt
- Een snee(tje) in het oor hebben — Dronken zijn
- Er wel oren naar hebben — Geïnteresseerd zijn in iets (zoals een voorstel, aanbod etc.)
Vertalingen
Engelsear
Fransoreille
DuitsOhr, Henkel
Spaansoreja, oído
Italiaansorecchio
Portugeesorelha
Japans耳
Turkskulak
Poolsucho
Zweedsöra, öra
Deensøre
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek