opbieding

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. aankondiging dat men iets per opbod zal verkopen
  2. het doen van een hoger bod
  3. versterking; toename
    Hier worden tot rechtsvorming geroepen dezelfde personen, die orgaan zijn van de reusachtig groote nationale belangen, zoodat een geweldige opbieding van geestelijke kracht noodig is om de betrekkelijkheid, de relatieve waarde, ook van die belangen te erkennen en tot uitdrukking te brengen. Hugo Krabbe (1927)– [tijdschrift] Gids, De [https://www.dbnl.org/tekst/_gid001192701_01/_gid001192701_01_0061.php Staat en recht]

Etymologie

* van opbieden