opdracht

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈɔbdrɑxt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een (door een hogere autoriteit in de organisatie) opgelegde verplichting tot het verrichten van werk
    Jullie krijgen voor morgen drie opdrachten mee.
    Ik heb meneer Robles net de opdracht gegeven.
    Alles ging goed, totdat Emil zelfmoord pleegde en ik in Bosnië ontdekte dat mijn Emil niet Emil was en ik Omer de opdracht gaf om uit te zoeken wat zijn echte identiteit was.
  2. een taak die men voor een klant, tegen betaling, mag uitvoeren
    Wat me wel is gelukt is om af en toe voor klanten in het buitenland vanuit huis opdrachten uit te voeren.
  3. vermelding in een boek waarin staat voor wie het boek speciaal geschreven is

Etymologie

* van opdragen

Vertalingen

Engelstask, job, mission
Franstâche, devoir
DuitsAufgabe, Auftrag
Spaanstarea, faena, misión
Italiaanscompito
Deensopgave