opereren

/xxxx/

Betekenis

werkwoord
  1. ov, medisch (ov) (medisch) aan een chirurgische ingreep onderwerpen
    Zij moest geopereerd worden.
  2. inerg (inerg) acties uitvoeren, optreden
    Zij opereerden niet aan de andere kant van de rivier.
    „Elk incident, elke publicatie in de media is slecht voor de positie van Centric, want wij opereren in een markt waarin vertrouwen ontzettend belangrijk is”, schetste Luijten.
    De zoon was eindelijk in behouden haven, als je dat kon zeggen van een aanstaande marineofficier die niet op zee zou opereren.

Etymologie

* van het Franse opérer ()

Vertalingen

Engelsoperate, operate
Fransopérer, opérer
Duitsoperieren, operieren, arbeiten
Spaansoperar, operar