opgelucht

/xxxx/

Betekenis

werkwoord
  1. verlost van de zorg dat er iets naars gaat gebeuren
    Hij was opgelucht dat de collectie van Ruysch geen schade had geleden.
    Eindelijk kwamen we doodmoe maar opgelucht in het dal aan.
    Hij bezwoer dat hij alleen maar verliefd was geraakt en dat dat helemaal losstond van de lengte van zijn verlof, maar dat er nieuwe verlofdagen kwamen, dat hij elke dag naar haar zou verlangen en zo verder. Toen hij eindelijk wegkwam, was hij even opgelucht als altijd.

Etymologie

* (van het scheidbare werkwoord), op te vatten als

Vertalingen

Engelsrelieved
Spaansaliviado