opgroeien

/ˈɔpxrujə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. erga (erga) de tijd tot de volwassenheid doorbrengen; de tijd dat iemand zich ontwikkelt tot een volwassene
    Hij groeide op in Scheemda.
    Het voetpad dat naar de vuurtoren op Vlieland leidt, is onlangs vernoemd naar Liesbeth List. De in 2020 overleden zangeres groeide op het Waddeneiland op.

Vertalingen

Engelsgrow up
Fransgrandir
Duitsaufwachsen, heranwachsen
Spaanscrecer
Italiaanscrescere
Portugeescrescer
Zweedsväxa upp