ophangen

/ˈɔphɑŋə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) iets in een hangende positie bevestigen
    Ik heb je schilderijtje opgehangen.
    Algauw liepen ze achter elkaar door de schuifdeuren terug naar de eetzaal, waar Sverre in het geheim het ophangen van de schilderijen had voorbereid.
  2. inerg (inerg) een telefoongesprek beëindigen
    Hij werd kwaad en hing op.
  3. ov (ov) aan de galg opknopen
    Hij werd vroeg in de ochtend opgehangen.

Uitdrukkingen

  • een verhaal ophangen

Vertalingen

Engelssuspend, hang up, hang
Fransraccrocher, pendre
Duitsaufhängen, auflegen, aufhängen
Spaanscolgar, suspender, tender