opjagen
/ˈɔpjaɣə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) uit zijn schuilplaats verdrijven
- (ov), (refl) gestresst maken, gek maken, iemand zich (nodeloos) doen haasten onder druk
Vertalingen
Engelschase, drive, drive on
Spaansacuciar, arrear, impeler
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek