opladen

/ˈɔpladə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) een materiële lading op iets aanbrengen
    De pakezels waren al opgeladen.
  2. ov (ov) een elektrische lading op iets aanbrengen
    Ik ben bezig de batterij op te laden.
    Het apparaat – niet de lichtste optie met zijn 178 gram – was even groot als een Snicker en hoefde maar een keer per week opgeladen te worden.
    Ik had een grote powerbank die mijn telefoon 12 keer kon opladen, dus besloot ik het vanaf toen alleen met digitale hulpmiddelen te doen.

Vertalingen

Engelsload, load
Franscharger, charger
Duitsladen, laden
Spaanscargar, cargar