oplopen
/ˈɔplopə(n)/
Wat is de betekenis van oplopen?
oplopen betekent: (erga) naar boven hellen
Betekenis
werkwoord
- (erga) naar boven hellen
- (erga) iets ~: lopend naar boven gaan
- (erga) in getal of hoeveelheid toenemen
- (ov) een besmetting of beschadiging verkrijgen
Voorbeelden van "oplopen" in een zin
- De grond loopt hier op.
- Hij liep de trap op.
- Een brede kerel kwam het pad oplopen met twee grote emmers water in zijn handen.
- De temperatuur liep zodra de zon opgekomen was flink op.
- Een precies getal aan verloren omzet kan het CBL niet geven, "maar dat blijft oplopen hoe langer de distributiecentra bezet zijn". Maandag had het CBL het nog over miljoenen euro's, nu zou het al over tientallen miljoenen gaan. De supermarktketen Coop liet eerder op de dag weten meerdere miljoenen euro's schade te verwachten.
Etymologie
*: "oploop" met de uitgang -en
Vertalingen
Engelswalk up, increase
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek