opperstalmeester

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beroep (beroep) een functionaris die het beheer over de stallen, meestal die van een vorst, heeft
    In de salle à manger hebben zich vier kamerheren, twee jachtmeesters, de opperstalmeester, de huisprelaat, de geheimschrijver en de majordomus bij hun heer en meesteres gevoegd.
  2. presentator van een circusvoorstelling

Etymologie

* afleiding van stalmeester