opperstalmeester
mannelijk (de)
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (beroep) een functionaris die het beheer over de stallen, meestal die van een vorst, heeftIn de salle à manger hebben zich vier kamerheren, twee jachtmeesters, de opperstalmeester, de huisprelaat, de geheimschrijver en de majordomus bij hun heer en meesteres gevoegd.
- presentator van een circusvoorstelling
Etymologie
* afleiding van stalmeester
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek