oprollen

/ˈɔprɔlə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. refl (refl) zich ~, tot een rol vormen
    Hij rolde zich in een hoekje lekker op.
  2. ov (ov) ergens een rol van maken
    Hij rolde de slaapzak op.
    Dat hij het touw óprolde is nooit het probleem geweest.
    De zware tenten werden ontmanteld, matjes en slaapzakken opgerold en alle kleren in rugzakken gepropt.
  3. ov (ov) een (semi-)georganiseerde groep arresteren
    Er is vandaag een compleet mensensmokkelaarsnetwerk opgerold.

Uitdrukkingen

  • [3] Een bende oprollen.

Vertalingen

Engelscurl up, curl up, round up
Fransenrouler, lover, rouler
Duitsaufrollen, aufrollen, hochgehen lassen
Spaansenrollar, arrollar, desarticular