opticien
mannelijk (de)/ˌɔptiˈʃɛ̃/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (optica) (beroep) iemand die kundig is in de optica
- winkelier die is opgeleid om brillen of contactlenzen aan te meten en te verkopen
- de winkel waar bovengenoemde persoon zijn vak beoefent
Etymologie
* Ontleend aan het Franse opticien
Vertalingen
Engelsoptician
Fransopticien
DuitsOptiker
Spaansóptico
Italiaansottico, occhialaio
Portugeesoculista
Zweedsoptiker
Deensoptiker
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek