opticien

mannelijk (de)/ˌɔptiˈʃɛ̃/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. optica, beroep (optica) (beroep) iemand die kundig is in de optica
  2. winkelier die is opgeleid om brillen of contactlenzen aan te meten en te verkopen
  3. de winkel waar bovengenoemde persoon zijn vak beoefent

Etymologie

* Ontleend aan het Franse opticien

Vertalingen

Engelsoptician
Fransopticien
DuitsOptiker
Spaansóptico
Italiaansottico, occhialaio
Portugeesoculista
Zweedsoptiker
Deensoptiker