opvangen

/ˈɔpfɑŋə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. vangen, zodat het ophoudt met vallen (-> in zijn werking of gevolgen tenietdoen)
  2. de zorg op zich nemen van iets en helpen bij de overgang naar een nieuwe situatie
    Burgemeester Jack van der Hoek verklaarde dat een aantal families nog niet terug naar huis kan en dat zij elders worden opgevangen. Hulpdiensten werken er hard aan om alle schade te verhelpen, zei hij.
    Vier van de vijf zwaargewonde kinderen zijn met reddingshelikopters naar ziekenhuizen in de buurt gebracht. De andere kinderen zijn met ambulances opgevangen en weggebracht.
  3. gewaarworden
    Het volk houdt zich urenlang op straat op, zelfs in het donker of als het sneeuwt. in de hoop een glimp van haar gezicht op te vangen achter het raam van haar vergulde koets.

Vertalingen

Engelsmoderate
Spaansacoger, captar