opwinden

/ˈɔpwɪndə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) rond een as of klos wikkelen
    Zij wond de draad op rond een klosje.
  2. ov (ov) draaiend onder spanning zetten
    Zij wond de oude wekker op, maar de veer begaf het.
  3. ov (ov) in staat van agitatie brengen
    Die onbeschofte opmerking wond hem vreselijk op.
    ‘Dit is het,’ fluisterde ik opgewonden in het duister.
  4. refl (refl) zich ~ over: iets doen dat tot emotionele spanning leidt
    Hij had zich daarover veel te veel opgewonden.
  5. ov (ov) erotisch prikkelen
    Huid-op-huidcontact kan veel mensen al opwinden.

Vertalingen

Engelswind, excite, arouse
Duitsaufwickeln, aufziehen, aufregen
Spaansdevanar, apasionar, irritar