opwinden
/ˈɔpwɪndə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) rond een as of klos wikkelenZij wond de draad op rond een klosje.
- (ov) draaiend onder spanning zettenZij wond de oude wekker op, maar de veer begaf het.
- (ov) in staat van agitatie brengenDie onbeschofte opmerking wond hem vreselijk op.‘Dit is het,’ fluisterde ik opgewonden in het duister.
- (refl) zich ~ over: iets doen dat tot emotionele spanning leidtHij had zich daarover veel te veel opgewonden.
- (ov) erotisch prikkelenHuid-op-huidcontact kan veel mensen al opwinden.
Vertalingen
Engelswind, excite, arouse
Duitsaufwickeln, aufziehen, aufregen
Spaansdevanar, apasionar, irritar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek