opwinding

vrouwelijk (de)/ˈɔpwɪndɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de handeling van het opwinden
    De opwinding van de klos werd geblokkeerd door een stuk schroot.
  2. psychologie (psychologie) een toestand van geestelijke of erotische geprikkeldheid
    In alle opwinding vergat hij de tijd.
    Maar het kan ook voelen alsof de moderne tijd ons steeds dieper in hebzucht, wanhoop en opwinding dompelt.

Etymologie

* van opwinden