opzeggen

/ˈɔpsɛxə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) mededelen dat men een eerdere overeenkomst beëindigt
    We kunnen die overeenkomst pas volgend jaar opzeggen.
  2. ov (ov) iets wat men uit het hoofd geleerd heeft laten horen
    Wij moesten vroeger iedere maandag een versje opzeggen.

Vertalingen

Duitskündigen, aufsagen