opzeggen
/ˈɔpsɛxə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) mededelen dat men een eerdere overeenkomst beëindigtWe kunnen die overeenkomst pas volgend jaar opzeggen.
- (ov) iets wat men uit het hoofd geleerd heeft laten horenWij moesten vroeger iedere maandag een versje opzeggen.
Vertalingen
Duitskündigen, aufsagen
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek