opzending

vrouwelijk (de)/ˈɔpsɛndɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. omstandigheid dat men iets of iemand ergens naartoe stuurt
    De kerk ligt in de enige nog overgebleven barak in het woonoord, waar ze in 1951 na hun tijdelijke „opzending” naar Nederland werden ondergebracht.

Etymologie

* van opzenden

Uitdrukkingen

  • in opzending