Dit woord is niet gevonden in de woordenlijst.

orf

mannelijk (de)/ˈɔrᵊf/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. diergeneeskunde (diergeneeskunde) aandoening van huid en slijmvliezen van schapen en geiten door een infectie met een bepaald virus uit het geslacht in de familie
    Bij één van de geiten op de kinderboerderij van Jeugdland is de ziekte orf (ook wel “zere bekjes” genoemd) geconstateerd.
  2. medisch (medisch) huidziekte bij mensen die door contact met schapen of geiten met het orfvirus zijn besmet
    Bij orf ontstaan er knobbeltjes en blaren op de handen of onderarmen. Orf komt voornamelijk voor bij mensen die veelvuldig in contact komen met schapen en geiten.
werkwoord
  1. schertsend (schertsend) erfde, onvoltooid verleden tijd van erven, voor een komisch effect verbogen als werven[https://web.archive.org/web/20180530013604/http://taaladvies.net/taal/advies/tekst/35 Werkwoorden met een zwakke en een sterke vervoeging (algemeen) op website Nederlandse Taalunie: taaladvies.net]; "1.2 Gebruiks- / registerverschil" onder a.; geraadpleegd 2018-01-23
    Water-Snoodt is die woning geheeten. Dat is het onbezwaard bezit van de oude vrouw Beijen, de weeuw van Rijk Beijen verscheiden, die al zijn baasjaren Hoofdingeland, later Heemraad van de Vereenigde Waterschappen is geweest. Zijn weeuw orf voor de keinders wèl de honderd en tien bunders best koepolderland, maar niet de waardigheid. Notaris Bestebroer wier Heemraad en later wier haar gebuur, manke Janus Maaien, in Rijk zijn steê gekozen in den Raad.

Etymologie

*Leenwoord uit Engels "orf".