organist
mannelijk (de)/orɣa'nɪst/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (muziek), (beroep) musicus die zich toelegt op het bespelen van het orgelDe organist van onze kerk vergastte ons op een prachtige prelude van Bach.
- (zangvogels) een zangvogel uit het geslacht of van de familie (vinkachtigen)
Etymologie
* Afgeleid van het Engelse organ (orgel)
Vertalingen
Engelsorgan player
Fransorganiste, joueur d'orgue
DuitsKantor, Organist, Orgelspieler
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek