Dit woord is niet gevonden in de woordenlijst.

orgelstoel

mannelijk (de)/ˈɔrɣəlstul/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. meubel, muziek (meubel) (muziek) zetel, kruk of bank waarop een organist kan zitten als hij aan het spelen is
    Een Amerikaan uit Iowa heeft den hier afgebeelden orgelstoel vervaardigd, welks zitting in tweeën gesplitst kan worden, zooals men ziet en welke het voordeel heeft, dat de organist overal bij kan.
  2. bouwkunde (bouwkunde) onderstel van een hoog tegen een muur geplaatst kerkorgel
    In 1883 werd voor de derde maal in 20 jaar een orgel op de orgelstoel van Niekerk geplaatst, gebouwd door de orgelbouwer Van Oeckelen.