oudelui
meervoud/ˌɑudəˈlœy/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- oudere mensenIn 1866 besloot de gemeenteraad van Almelo dat jaar de vierdaagse kermis (dinsdag voor de kinderen, woensdag voor de jongelui, donderdag voor de boeren en vrijdag voor de oudelui) niet te houden vanwege een cholera-epidemie, dit tot groot ongenoegen van de bevolking. NRC Eric Slot 14 september 1991 [https://www.nrc.nl/nieuws/1991/09/14/kermis-6980339-a1020188 KERMIS]
- pa en ma, vader en moederBelangrijk is dat betrokkenen elkaar volledig (blijven) vertrouwen en de oudelui de reserve als prudente rent(e)meesters beheren. Hoewel ze wel enig risico moeten nemen, althans meer dan gezien hun leeftijd, inkomen, vermogen en kennis passend is. Het gaat toch om een belegging voor de lange termijn? Anders komt die reserve nooit van de grond. NRC Adriaan Hiele 11 mei 1996 [https://www.nrc.nl/nieuws/1996/05/11/pensioendraagouders-7309708-a1248058 Pensioendraagouders]
Vertalingen
Engelselderly people
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek