output
mannelijk (de)/ˈɑutput/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (informatica) "uitvoer" [3]
- (techniek) energie of signaal dat ergens uitkomt
Etymologie
* Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘uitvoer’ voor het eerst aangetroffen in 1970
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek