overdaad

mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. wat te veel is
    Via de kabel kunnen we een overdaad aan tv-zenders ontvangen.
    Hier was geen interior designer aan het werk geweest met een efficiënt, anoniem ontwerp, maar had een overdaad aan geschiedenis een wanhopig zuchtende overdaad aan weelderige sporen achtergelaten.

Etymologie

* In de betekenis van ‘exces’ voor het eerst aangetroffen in 1260

Uitdrukkingen

  • Overdaad schaadtEen te grote hoeveelheid van iets is niet goed