overgang
vrouwelijk (de)/ˈovərˌɣɑŋ/
Wat is de betekenis van overgang?
overgang betekent: het overgaan of veranderen in
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- het overgaan of veranderen in
- het van een toestand in een andere overgaan
- de plaats waar men iets kan passeren zoals een spoorwegovergang
- (medisch) de tijdsperiode waarin een vrouw stopt men menstrueren
- (astronomie) het voorlang passeren van een planeet voor een ster langs
Voorbeelden van "overgang" in een zin
- Dat is precies op de overgang van de geologische tijdperken Krijt en Paleogeen, toen driekwart van alle levende soorten op aarde in korte tijd uitstierven - inclusief de dinosaurussen.
- Voor de meeste kinderen, schrijft Dunn, is de komst van een tweede een grote overgang - mede door die plotselinge afname van invoelende, geduldige ouderlijke aandacht.
- Remedies tegen een uitgeholde wet: De overgang van de klassieke naar de sociale rechtsstaat brengt door de sterke uitbreiding van de overheidsactiviteiten op bijna alle terreinen de behoefte met zich mee aan nieuwe waarborgen voor een rechtvaardig en doeltreffend bestuur.
- Ze hielden van alles wat leefde, behalve van de kippen waar ze de botten van afkloven, de varkens die hun moeders voor ze roosterde, de pissebedden die ze vertrapten, de vliegen die ze de vleugels uittrokken en vervolgens aan hun lot overlieten, de naaktslakken waarover ze zout strooiden, de kikkers die ze met een rietje opbliezen - want dat zijn dingen die dorpskinderen nou eenmaal doen, die horen bij het opgroeien, die maken deel uit van de overgang van jongen tot man.
- Dat zal mama toch wel begrijpen? Alhoewel, zelf heeft ze nooit last gehad van hormonale kwaaltjes; ook toen ze in de overgang kwam, heb ik haar geen dag in mineur gezien.
Vertalingen
Engelstransition, level crossing, passage
Spaanstransición, pasaje, paso
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek