overheid

vrouwelijk (de)/ˈoverˌhɛit/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. politiek (politiek) het geheel aan gezagvoerende lichamen
    De Belgische overheid investeerde miljarden euro's in die bank.
    ‘Ik heb begrip voor de maatregelen van de overheid. Misschien hadden die wat eerder genomen moeten worden, we hebben het in Nederland misschien aanvankelijk een beetje onderschat.
  2. een gezagvoerend lichaam als werkgever of bedrijf
    Als reactie op deze epidemie wordt er door steeds meer bedrijven en overheden beleid gemaakt om mensen na een aantal jaar trouwe dienst verplicht op verlof te sturen.

Etymologie

*afgeleid van over (eigenlijk bijvoeglijk overig)

Vertalingen

Engelsgovernment, authority
Fransautorité, autorité publique
DuitsBehörden, Obrigkeit, Regierung
Spaansautoridades, gobierno
Italiaansautorità
Portugeesautoridade
ZweedsObrigkeit