overloper
mannelijk (de)/ˈovərˌlopər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (militair) iemand die overloopt (naar de vijand)
- buis voor het afvoeren van overlopend of overtollig water, een overloop
Etymologie
*afgeleid van overlopen
Vertalingen
Spaanstránsfuga, pasado
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek