overstorten

/ˌovərˈstɔrten/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) van boven op iets neerkomen en het helemaal bedekken
    Het water zal de laaggelegen landen om Greve's hoeve overstorten;
  2. ov, figuurlijk (ov) (figuurlijk) van alle kanten bedelven, plotseling hevig aanvallen
    Nu begint ook het carillon te spelen, het carillon van zes uur, als Siem en Kees in het huis moeten wezen, en al het lawaai en al de valse glans overstorten Abel, tot hij dol in 't hoofd wordt.
werkwoord
  1. erga (erga) helemaal naar voren vallen
    Let op een overstortende golf. Het overstorten begint in één punt van de golfkam en plant zich van daar over de gehele kam voort.
  2. ov (ov) (van geld) afdragen aan een ander
    {{ouds
  3. ov (ov) van het een in het ander gieten of laten vallen
    Tuinbonen overstorten in een vergiet en er koud water overheen spoelen tot ze afgekoeld zijn.
  4. erga (erga) (van vloeistoffen) boven een rand uitkomen en wegstromen
    Helemaal tevreden is hij toch niet. „Ik heb veel liever dat we de wijken zo groen maken, dat overstorten van rioolwater eigenlijk niet nodig is.

Etymologie

*: "overstort" met de uitgang -en