overtreding

vrouwelijk (de)/ˌovərˈtredɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. juridisch (juridisch) een relatief licht strafbaar feit (Nederlands recht)
    Hij kreeg een bekeuring voor zijn overtreding.
  2. juridisch (juridisch) een politiestraf uitgesproken door de Politierechtbank (Belgisch recht)
  3. sport (sport) het zich niet houden aan een spelregel

Etymologie

* van overtreden

Vertalingen

Engelstransgression
Fransinfraction
DuitsÜbertretung, Verstoß
Spaansinfracción