overtuigen

/ˌovərˈtœyɣən/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) met argumenten tot andere visies brengen
    Pietro is het verstand, Roman (de huidige commandant, behendig en capabel, repareert alles, bedient de robotarm met millimeterprecisie, sluit de ingewikkeldste printplaat aan) is de handen, Shaun de ziel (Shaun die klaarstaat om hen allen ervan te overtuigen dat ze een ziel hebben), Chie (methodisch, fair, wijs, niet goed te definiëren of onder één noemer te vangen) het bewustzijn, Nell (met haar duiklongen van acht liter) de adem.
    Elke dag staan we voor de uitdaging om anderen te overtuigen, zowel op het werk als privé.
    Wie het ook was, ik moest hem zien te overtuigen om vandaag niet verder te gaan, samen met mij te overnachten en morgenochtend de pas samen over te gaan.
  2. ov, scheepvaart (ov) (scheepvaart) een zeilschip tuigen met te veel zeiloppervlak
    Zij hadden hun schip overtuigd en kwamen daardoor in de problemen.
werkwoord
  1. inerg, scheepvaart (inerg) (scheepvaart) een ander tuig opzetten, met name bij een zeilplank
    Ik heb uiteindelijk toch maar overgetuigd naar 4.7.

Etymologie

* In de betekenis van ‘iets doen geloven door klem van woorden’ voor het eerst aangetroffen in 1637

Vertalingen

Engelsconvince, persuade
Fransconvaincre
Duitsüberzeugen
Spaansconvencer, persuadir, cerciorar
Italiaansconvincere