overvliegen

/ˌovərˈvliɣə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. erga (erga) ergens overheen vliegen
    In deze polder kan je in de herfst hele zwermen vogels zien overvliegen.
    Dat vliegtuig is nu al drie keer komen overvliegen, als die maar niet in de problemen zit!
  2. erga (erga) van de ene afdeling naar de volgende gaan, bijvoorbeeld bij scouting
    Nu zij zeventien werd zou ze overvliegen van de Zeemeeuwen naar de Najaden.
  3. ov (ov) iets met een vliegtuig ergens brengen
    De nieuwe tenten worden volgende week overgevlogen.

Vertalingen

Engelsfly over, fly over, fly over
Franssurvoler, voler, transporter par avion
Duitsfliegen über, fliegen über, hinüberfliegen