overwal

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de wal aan de overkant
    Af en toe drong het laag geratel van een rijtuig naar boven; Jakob boog voorover, zag een twaalf-persoons-tentwagen met uitgestoken, natte vlaggetjes op de donkere overwal van de gracht.
  2. de kust vanwaar de wind waait