overwegen

meervoud/ˌovərˈweɣə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. de voor- en nadelen bezien alvorens een beslissing te nemen.
    Hij overwoog om te gaan verhuizen.
    Dus, mocht je overwegen om zelf ook ooit een thru-hike te ondernemen, raad ik je aan zuinig te leven en een jaar lang 600 euro per maand in een sok te stoppen.
    Nadat hij weg was overwoog ik zijn beweegredenen.
werkwoord
  1. ov (ov) opnieuw wegen

Etymologie

*[C] "overweg" met de uitgang -en

Vertalingen

Engelsconsider
Fransconsidérer
Duitserwägen
Spaansconsiderar, reflexionar, ponderar