paaien
/pajə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (inerg), (dierkunde) het leggen en bevruchten van eieren door vissenDe zalm paait in hetzelfde stroompje waar hij geboren is.
- (ov) trachten in het gevlij te komen bij iemandHij slaagde er opnieuw in zijn geldschieter te paaien en meer geld los te krijgen.
- (ov) (scheepvaart) de bemanning van een ander schip aansprekenEr werd direct besloten de Eems te paaien om te vragen of het schip een aantal zwaargewonden kon meenemen naar de neutrale haven van IJmuiden.
- (scheepvaart) het bewerken met harpuis van het dooddeel, het deel van het schip boven de waterlijn
- (scheepvaart) laten schieten van een kabelEen touw in het ruim paaien.
Etymologie
* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘tevredenstellen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1281
Vertalingen
Engelsspawn, ingratiate oneself, entice
Duitslaichen
Spaansdesovar, complacer
Russischнереститься, завлекать, обхаживать
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek