paander

mannelijk (de)/ˈpandər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. tenen korf of mand
    Aan de voeten heeft ze klompen en onder de arm een metalen paander of boodschappenkorf.
  2. (Drenthe) iemand die een openbare verkoping leidt
    Het wild werd na de oudejaarsdrijfjacht bij opbod verkocht door paander Jans Schepers.

Etymologie

*[2]: iemand die iets in pand heeft.