paan

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. kleding (kleding) een op fluweel of ribfluweel gelijkende stof
    Hij droeg een broek van paan en een houtje-touwtjejas.
  2. kleding (kleding) een lap stof groot genoeg om om het middel geslagen te worden
    Nauwelijks had een oude vrouw daaronder een paantje in het oog gekregen, of ze riep schreiende uit:‘Ké! meneer, dat is mijn eigendom.Codjo, de brandstichterF.H. RikkenTimmerman, Paramaribo 1904

Etymologie

* hier komt de etymologie van het woord-->