paashaas

mannelijk (de)/ˈpashas/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. folklore (folklore) een fictieve haas die met Pasen paaseieren en ander snoep zou brengen
    De paashaas komt voort uit een protestantse traditie.
  2. voeding (voeding) stuk snoep (meestal chocola) in de vorm van de onder [1] genoemde haas
    Hij kreeg een paashaas van chocolade.

Etymologie

*Samenstelling van paas (van Pasen) en haas

Vertalingen

EngelsEaster Bunny
Franslièvre de Pâques, lapin de Pâques
DuitsOsterhase
Spaansconejo de Pascua, liebre de Pascua
Italiaansconiglio di Pasqua, coniglio pasquale, coniglietto pasquale
PortugeesCoelhinho da Páscoa
Zweedspåskhare
Deenspåskehare