paaszondag
mannelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (religie) de dag waarop christenen vieren dat Jezus opgestaan is uit de dood, op de derde dag na zijn kruisiging.
Etymologie
* Samenstelling van paas (afgeleid van Pasen) en zondag
Vertalingen
EngelsEaster Sunday
Fransdimanche de Pâques
DuitsOstersonntag
SpaansDomingo de Pascua
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek