pacht

mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. geld betaald voor het vruchtgebruik van grond waar men niet de eigenaar van is
    Ze konden de pacht niet betalen.

Etymologie

* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘huur’ voor het eerst aangetroffen in 1249

Uitdrukkingen

  • de waarheid in pacht hebbendenken dat men de hele waarheid kent

Vertalingen

Engelslease
Fransbail à ferme
DuitsPacht
Spaansarrendamiento
Italiaansaffitto
Portugeesarrendamento
Poolsdzierżawa
Zweedsarrende