pan

mannelijk/vrouwelijk (de)/pɑn/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. kookkunst (kookkunst) keukengereedschap om in te koken of braden
    Pogue floot een oude countryhit en Goldie verslond drie pannen pasta en praatte met volle mond aan één stuk door.
    Het afwaswater werd tijdens het eten op het vuur verwarmd waarmee ik na de maaltijd de aangekoekte pannen schoon schrobde.
  2. dakpan

Etymologie

* Leenwoord uit het middeleeuws Latijn, in de betekenis van ‘ketel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240

Vertalingen

Engelspan, casserole, cooking pot
Franspoêle
DuitsPfanne
Spaansolla, sartén, cacerola
Portugeescaçarola
Russischсковорода
Japansフライパン, furaiban
Poolspatelnia
Zweedspanna