pan
mannelijk/vrouwelijk (de)/pɑn/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (kookkunst) keukengereedschap om in te koken of bradenPogue floot een oude countryhit en Goldie verslond drie pannen pasta en praatte met volle mond aan één stuk door.Het afwaswater werd tijdens het eten op het vuur verwarmd waarmee ik na de maaltijd de aangekoekte pannen schoon schrobde.
- dakpan
Etymologie
* Leenwoord uit het middeleeuws Latijn, in de betekenis van ‘ketel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Vertalingen
Engelspan, casserole, cooking pot
Franspoêle
DuitsPfanne
Spaansolla, sartén, cacerola
Portugeescaçarola
Russischсковорода
Japansフライパン, furaiban
Poolspatelnia
Zweedspanna
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek